Twee weken geleden kwam ik terug uit Jordanië. In zes dagen reden we van Noord naar Zuid en weer terug. Van de bruisende hoofdstad Amman naar Wereldwonder Petra en vervolgens toch nog een dagje dobberen in de Dode Zee. Crossend met een jeep door het spectaculaire maanlandschap van de Wadi Rum en urenlang dwalen door de Wadi Mujib, ’s werelds laagst gelegen natuurpark om de dag te eindigen in Dana nature reserve – mét prachtige zonsondergang.

DE GASTVRIJE JORDANIËRS EN HUN MOOIE LAND

Maar ik wilde meer, ik ben nog niet klaar met dit mooie land. Één dag op een plek als Petra is niet voldoende, er zijn zoveel dingen die ik niet heb gezien. Bovendien wil ik meer te weten komen over de bedoeïenen en hun fascinerende koffie- en thee tradities. En dansen met de gastvrije Palestijnse Jordaniërs die we ontmoetten in Amman. Mezelf weer insmeren met de mineraalrijke modder van de Dode Zee en genieten van het uitzicht over Israël. Nog eens die Wadi Rum in, op een kameel dit keer of misschien toch een keer op de rug van een paard. Spannend.

Dat dit niet mijn laatste ontmoeting met Jordanië is weet ik zeker, maar wanneer dat wordt blijft voorlopig nog de vraag. Ik moet maar snel op zoek gaan naar een Jordaans restaurant in Amsterdam, geloof ik. Want die Jordaanse specialiteit mansaf, god, daar droom ik serieus gewoon nog van.

In de ban van Jordanië